De Nieuwsgier

De Nieuwsgier

Genre: Verhalen
Auteur: Herman Adèr
ISBN: 97-890-79418-53-4 (Paperback)
Verschenen: 3 Maart 2017
Prijs: € 14,75
Website: www.jvank.nl/Nieuwsgier

 

DE NIEUWSGIER

In De Nieuwsgier, de nieuwe verhalenbundel van Herman Adèr, zijn een twintigtal verhalen verzameld, geschreven na 2005, het jaar van zijn pensionering. Net als in zijn vorige verhalenbundels (De vader en Michiel (2009) en Een verschrikkelijke Liefde, 2010), zijn de verhalen niet autobiografisch, maar er wordt wel gebruik gemaakt van belevenissen van de auteur. De drie bedrijfsverhalen (Lekker Puh, Clinico en De Bankdenker) alluderen aan zijn werkzame leven als methodoloog. Andere verhalen (Kapsones, Tiktaalik en het titelverhaal) putten uit de belevingswereld van de wetenschapper en in De simulant, Verzorging en Geelzucht figureren echtparen in hun laatste levensfase. In andere verhalen (de Boswandeling, de Nieuwsgier en De ramp) kiest Adèr een sprookjesachtig perspectief.

Fragment: DE BANKDENKER

Ik heb wat men noemt een aanwezigheids-functie. Ik moet aanwezig zijn, verderniets.

Van mijn diensten wordt maar zo nu en dan gebruik gemaakt. Dan stormt één van de directeuren binnen en hij roept: ‘Janus, een drama! Je moet onmiddellijk komen.’ Soms ben ik er niet op bedacht, vooral als ik weer verschrikkelijke last heb. Ik loop al niet makkelijk, maar als ik een jichtaanval heb kost het een hele tijd voor ik, zwaar steunend op mijn stok in de grote conferentiekamer ben aangeland, waarde directie in beraad is. Ze hebben wel eens voorgesteld om voor dat soortgelegenheden een speciaal karretje aan te schaffen om me daarin snel te kunnentransporteren. Maar dat heb ik natuurlijk geweigerd. Een invaliden-kar: het is mijn eer te na. En, bovendien, ze kunnen best een paar minuten wachten, met zijn allen. Een ogenblik van reflectie is nooit weg, zelfs voor dat stelletje onbenullen.

De laatste tijd is het natuurlijk voortdurend raak: de bank verkeert in zwaar weer. Er is weinig tijd en ruimte voor mijn filosofische inbreng, hoewel er vanuit Marx en zelfs kapitalistische filosofen als Smith en Keynes van alles over op te merken valt. Tenslotte werken we in één van de bolwerken van het kapitalisme. Ondanks mijn leeftijd, sta ik filosofisch toch nog steeds in de traditie van het Marxistisch denken over het kapitaal en de onderdrukte arbeidersklasse.

Maar het huidige tijdsgewricht vraagt om pragmatisme à la Keynes. De banken liggen natuurlijk onder vuur vanwege die bonussen en de massale geldinjecties. Het is lastig om daarover een filosofisch standpunt in te nemen. Piketty zou zeggen, dat je de banken beter in hun sop kunt laten gaarkoken. Eerst de hele bonus-cultuur afschaffen en niks geldinjecties. Dan doet de markt zelf zijn werk wel. Maar Marx zou weer opkomen voor de kleine spaarder en de pensioenfondsen. Het blijft een levensgroot probleem om in de belangrijke lopende kwesties een filosofisch standpunt te bepalen.

Eigenlijk heb ik hier vooral een rol zoals Punch, de paljas van het gelijknamige Engelse tijdschrift: ik ben zogenaamd kritisch, maar het komt erop neer dat ik een ander gezichtspunt moet aandragen, niet een gezichtspunt waarmee de directie niets kan aanvangen.

............................................................................
.............................................................................

Een tijdlang zag het er naar uit, dat de bank de crisis niet zou overleven. Maar toenkwam de minister. Die zorgde ervoor dat we een doorstart konden maken, al werd alles sterk aan banden gelegd. In die periode werden natuurlijk alle arbeidsplaatsen die ook maar enigszins gemist konden worden, geschrapt of weggemasseerd via ‘natuurlijk verloop’.

En natuurlijk keken degenen die wel direct moesten verdwijnen met scheve ogen naar werknemers zoals ik, met een volkomen bespottelijke en totaal improductieve functie binnen het bedrijf.

Maar toch kregen ze het niet voor elkaar om me zomaar weg te krijgen. Eerst was het volkomen onduidelijk waarom ik geen zachte maar niet mis te verstane hint ontving om op te rotten.

Na enige tijd bleek dat ik op initiatief van Andreas was voorgedragen voor de prijs voor Management Begeleiding die indertijd was ingesteld door de sociaal economische Raad toen zij een klein legaat ontvingen van de van Beuningen stichting. Deze prijs wordt ééns in de vijf jaar uitgereikt aan iemand die zich op dat gebied uitzonderlijk verdienstelijk heeft gemaakt. Het gaat om een geldbedrag van 2000 euro.

En ja hoor, ik krijg die prijs, hoewel ik er absoluut niet om verlegen zit. Dat ik hemaanvaard, komt omdat ik daarmee de mogelijkheid van ontslag voor me uit kanschuiven. Want hoewel ik bijzonder weinig praktisch werk voor de zaak doe en ik me de bezwaren van mijn collega’s tegen mijn aanstelling volledig kan indenken, ook al zal ik dat nooit laten blijken, hang ik toch aan mijn huidige leventje.

De prijsuitreiking is een hele ceremonie. Het gebeurt in de grote gehoorzaal. Dedirecteuren zijn natuurlijk allemaal aanwezig, net als de minister die de eigenlijkeprijsuitreiking verricht.

‘Beste Coligon, je krijgt deze prijs vanwege je uitzonderlijke verdiensten voor de bank in deze moeilijke tijden. Hoewel je opleiding als filosoof voor velen niet de meest vanzelfsprekende voorbereiding voor het bankvak leek te zijn, zijn je inzichten, die meestal op een filosofisch perspectief zijn gestoeld, van onschatbare waarde gebleken.

Met name in deze bijzonder moeilijke periode is de bank er met jouw hulp in geslaagd, de door de regering geëiste rationalisering uit te voeren op een manier waarbij geen gedwongen ontslagen hoefden te vallen, maar de afslanking met behulp van natuurlijk verloop kon worden geregeld.

Het is dan ook met het grootste genoegen, dat ik je deze prestigieuze prijs, die slechts eenmaal in de vijf jaar wordt uitgereikt aan een werknemer met uitzonderlijke verdiensten voor het bankvak, overhandig.’

Ik had me natuurlijk voorbereid op deze bijeenkomst en me voorgenomen nu eens niet te reageren met mijn gebruikelijk sardonische commentaar, met andere woorden, me voor een keer eens normaal te gedragen. Dat was noodzakelijk omdat de hele zaal vol zat met sceptische rivalen, die in hun achterhoofd vonden dat niet ik, maar zijzelf die prijs hadden verdiend: ze hadden geen enkele waardering voor mijn onmisbare bijdrage aan het reilen en zeilen van de bank.

‘Ik beschouw het als een grote eer,’ zo begon ik, ‘dat deze prestigieuze onderscheiding mij te beurt valt. Hoewel ik mij realiseer dat mijn bijdrage meer op strategisch gebied heeft gelegen dan op het financieel-technische aspect van het bankvak’ (op dit moment hoorde ik een gesnuif uit de zaal komen, een onderdrukt gelach, dat echter in de kiem werd gesmoord), ‘ben ik overweldigd en ontroerd door deze erkenning van mijn bijdrage.’

Op dit moment slaagde ik er zelfs in, een traan te produceren en die vervolgens weg te pinken uit mijn rechteroog.

‘Ik weet zeker, dat deze ceremonie een unicum vormt in de geschiedenis van hetbankwezen en dat deze prijs zal bijdragen aan een verandering van de publieke visie op de bank als instituut dat de crisis heeft veroorzaakt. In plaats daarvan zal het eindelijk duidelijk worden dat een filosofisch perspectief in financieel-economische zaken de mogelijkheid biedt om de maatschappelijke kant van het bankvak op de voorgrond te plaatsen.’

Hoewel dit natuurlijk allemaal evidente filosofische lulkoek was, werd ik overvallen door het luide applaus dat mijn woorden opriep.

De plechtigheid werd besloten met een borrel met de gebruikelijke bancaire overvloed aan hapjes en drankjes. Maar ditmaal zorgde ik er zorgvuldig voor dat ik mij niet aan de jeneverfles vergreep waardoor ik me te midden van dit voorname publiek zou kunnen blameren.

Maar het mocht allemaal niet baten. De crisis schreed voort en de minister werd vanzijn plaats verdreven door Thom Tellinga, die een heel andere visie had op de rol van de banken. Met harde hand zette hij het mes in de financiële wereld en in een ommezien werd ik afgeserveerd en bevond mij op mijn studeerkamer in het oude huis aan de Zocherstraat met mijn boeken om mij heen.

Ik was niet de enige: zeker een derde van mijn naaste collega’s werden op straat gezet. Maar omdat ik wel een van de eersten was die werd wegbezuinigd, merkte ik pas achteraf hoe hard er bij de bank was ingegrepen.

Zelfs in zo’n situatie biedt het filosofisch perspectief een enorme steun. Na een maand of twee realiseerde ik mij, dat ik absoluut niet rancuneus stond tegenover de uitvoerders van mijn deconfiture. Als ik goed nadacht was mijn positie op de bank altijd van een clowneske onbenulligheid geweest zodat ik me kon voorstellen dat men van buitenaf mijn aanwezigheid kon missen als kiespijn.

Ik viel terug in een levensfase waarin ik verkeerde voordat ik bij de bank ging werken: ik las weer veel van mijn geliefde Popper en begon zelfs bijeenkomsten van de Filosofische vereniging te bezoeken, waar ik jarenlang verstek had laten gaan. Eigenlijk was dit wel een prettige periode, ondanks mijn sterk verminderde financiële draagkracht. Maar omdat ik van oudsher sober leefde, maakte dat niet veel verschil. En aan reizen hecht ik niet zoveel waarde, met één uitzondering: Het was veel moeilijker geworden om mijn jaarlijkse reis naar Griekenland te bekostigen. Maar gelukkig had mijn oude moeder hier begrip voor en zo rolden soms geheel onverwachts aanzienlijke hoeveelheden pecuniën mijn kant op.

Nee, over het geheel genomen was mijn leven er niet slechter op geworden.

 

WebsiteBestellen via Internet